Bo Fortuijn
ABOUT MY WORK
EN
My practice revolves around the end of childhood: the moment when
something soft, magical, and seemingly endless quietly comes to an end. I
am interested in that strange threshold between innocence and awareness,
between the world as it once appeared and the world as we come to
understand it. Turning twenty-one becomes, in my work, a symbolic
moment of rupture. Suddenly, childhood is no longer something we are
inside of, but something we can only look back on. The party is over. A
memory can feel precious precisely because it is untouchable.
My work moves fluidly between the worlds of confectionery and jewelry.
These worlds may seem different, yet they share a language of seduction,
detail, ornament, and desire. Sweets and pastries are made to be
consumed. They are temporary, fragile, and often connected to celebration.
Jewelry, on the other hand, is made to last. It is precious, permanent, and
kept close to the body. By bringing these two worlds together, I explore the
tension between ephemerality and permanence: between what disappears
and what remains, between what is eaten and what is treasured.
I try to create objects and atmospheres that behave like memories. I am
interested in the moment where something funny or overly beautiful slowly
becomes melancholic, and where decoration becomes both a disguise and
a way of holding something together.
Ultimately, my practice is about the desire to hold on to what cannot be
held, but also about the ridiculousness of that desire. It is about the end of
the party, the last piece of cake, the ribbon after the gift has been opened.
The work laughs first, and only afterwards reveals the small pain hidden
underneath the sugar coating.
NL
Mijn werkproces begon vanuit een vrij letterlijke fascinatie voor lekkernijen. Ik keek naar hun kleuren, vormen, verpakkingen, bereidingswijzen en aantrekkingskracht. Gaandeweg merkte ik dat mijn onderwerp veel dieper lag. Het ging niet enkel over de lekkernij zelf, maar over wat ze oproept: verlangen, herinnering, kindertijd en vergankelijkheid.Mijn praktijk draait rond het einde van de kindertijd: het moment waarop iets zachts, magisch en schijnbaar eindeloos bijna ongemerkt tot een einde komt.
Ik ben geïnteresseerd in die vreemde drempel tussen onschuld en bewustwording, tussen de wereld zoals die ooit aanvoelde en de wereld zoals we haar later leren begrijpen. Eenentwintig worden krijgt binnen mijn werk een symbolische betekenis: een breukmoment waarop kindertijd niet langer iets is waarin je je bevindt, maar iets waar je alleen nog op kunt terugkijken. Het feest is voorbij.
Mijn werk beweegt zich tussen de werelden van patisserie en sieraden. Op het eerste gezicht lijken deze werelden van elkaar verwijderd, maar ze spreken een verwante taal: die van verleiding, ambacht, detail, ornament en verlangen. Beide worden omgeven door rituelen van aandacht en zorg. Ze verschijnen bij vieringen, jubilea en overgangsmomenten, worden zorgvuldig verpakt en vaak met een zekere afstand benaderd. Bijna alsof ze eerst bewonderd moeten worden voordat ze aangeraakt mogen worden.
Toch ligt hun grootste verschil in hun verhouding tot tijd. Gebak is gemaakt om te verdwijnen. Het is tijdelijk, fragiel en verbonden aan het moment zelf: aan feestelijkheid, begeerte en consumptie. Sieraden daarentegen zijn gemaakt om te blijven. Ze zijn kostbaar, duurzaam en worden dicht op het lichaam gedragen. Vaak overleven ze hun eerste drager en worden ze generaties lang bewaard en doorgegeven.
Door deze twee werelden samen te brengen, onderzoek ik de spanning tussen het vergankelijke en het blijvende: tussen wat oplost in herinnering en wat als tastbaar spoor achterblijft. Juist in die tegenstelling krijgt mijn werk vorm.
Ik probeer objecten en sferen te creëren die zich gedragen als herinneringen. Mijn praktijk over het verlangen om vast te houden aan wat niet vast te houden is, maar ook over de absurditeit van dat verlangen. Het gaat over het einde van het feest, het laatste stuk taart, het lint dat overblijft nadat het cadeau is geopend.
Mijn werk lacht eerst, en pas daarna toont het de kleine pijn die onder het suikerlaagje verborgen zit.